Auteur: Madelon

  • Schattebout

    Naast Bram Ladage zit een oude man in elkaar gedoken op een bankje. Door het woord ‘goedemiddag’ maak ik contact. De man mompelt iets. Aan zijn linkeroor zie ik een gehoorapparaat. Zijn zwarte trainingsbroek  zit vol schilfels. Hij leunt op zijn looprekje. Terwijl ik mijn patat eet, hoor ik hem doormompelen. Zodra ik zijn richting opkijk, blikt hij weg. Is dit zijn manier van contact maken?

    Tik, tik,tik. Met een identiteitskaart maakt hij geluid op de bank en wijst naar de datum. Het is mij niet helder wat hij ermee zeggen wil. Voorzichtig komt hij dichterbij en wijst vervolgens naar zijn gehoorapparaat. “Vroeger was hier Ter Meulen. Nu zijn hier kleine winkeltjes.” Ik vermoed dat hij in geen tijden gepraat heeft.

    Een gesluierde vrouw komt ook op het bankje zitten. De man schuift mijn richting op. “Ik vind je lief” zegt hij opeens. “Je bent mijn schattebout”. Mijn hart krimpt ineen terwijl ik dooreet.  Wat doe ik hiermee? Het valt stil. Ik vertel dat de patat lauw is en er bovendien teveel patat in de zak zit. “Eet maar rustig hoor.” Voorzichtig komt hij nog wat dichterbij en zegt:  “Dank je wel. Laten we elkaar weer echt gaan zien, zoals nu. Het gaat erom dat je elkaar lief vindt.”

    Het plaatje kan ik zo invullen. Eenzaam leven, hunkering naar contact, zoals zovele. Nog dichterbij komt hij. Met zijn hand wrijft hij heel zachtjes over mijn rug. Warmte stroomt door mijn lijf. “Als het maar goed is voor jou. Ik ben je dankbaar. Je bent lief“ zegt hij weer. Inmiddels ongemakkelijk, antwoord ik beleefd dat ik hem ook lief vind. Valt dit nog binnen de grenzen? Vriendelijk vraag ik hem mij niet meer aan te raken. Hij stopt, maar is nog heel dichtbij, zijn arm ligt om mij heen.

    Hoe kom ik hier weg? Mijn patat is nog niet helemaal op, maar ik zeg gedag. De man maakt aanstalten een zoen te geven. Met lichaamstaal maak ik duidelijk dat dit te ver gaat. Ik klop even op zijn been. Zijn hand doet hetzelfde bij mij.

    Gepubliceerd
    10 oktober 2009 – Dagblad de Pers

     

  • Kwame

    Een oude man met baard en heldere ogen loopt op mij af. “Wilt u een broodje voor mij kopen, mevrouw?” Normaal gaan bij dit soort vragen mijn haren overeind staan. Dit keer niet. Intuïtief zeg ik: “Ja, hoor is goed.” Het voelt juist om in deze situatie te stappen.

    We lopen naar de shoarmatent even verderop en we praten wat. Opeens staat hij stil en zegt: “Je bent anders dan mijn blanke broeders, meer open. Ik ben Kwame, en jij? ” Enthousiast gaat hij verder met zijn verhaal. Deze week zal hij na acht jaar zwerven bij een project voor uitgezworven zwervers gaan wonen. Wauw, een kruispunt in zijn leven dus. Ooit toen er plotsklaps drie familieleden bij een auto ongeluk om het leven kwam is het bergafwaarts met hem gegaan. Hij raakte in de war, dakloos, verslaafd en ging medicijnen gebruiken. Met alle middelen is ie nu gestopt. Ik geloof hem en ben onder de indruk van zijn verhaal. Ook  herken ik de elementen uit de levens van andere daklozen.

    Kwame kiest het lekkerste broodje en vraagt bijna formeel of hij ook nog iets te drinken mag. Ik kan zijn charmes niet weerstaan. Iedereen in de shoarmatent zit met gespitste oren. Zou hij hier vaker komen? Word ik voor de gek gehouden? Ach, wat maakt het eigenlijk uit.  De woorden die hij uitspreekt zijn zorgvuldig gekozen en prachtig van inhoud.

    Het gaat inmiddels over wat mij op dat moment ook bezighoudt: de liefde. Dat als je angst loslaat, er liefde in je leven komt. En dat als je gezien hebt wat liefde inhoudt eigenlijk niets en tegelijkertijd alles ertoe doet. We praten in het verlengde daarvan over God en verlichting. Als we even later op de hoek van de straat staan om afscheid te nemen krijg ik zijn rozenkrans. Hij bidt het Onze Vader terwijl ie de krans om mijn hals hangt. Prachtig vind ik het. Nu al koester ik dit moment. Eigenlijk wil ik hem wel zoenen. Gelukkig zegt Kwame ‘Embrasse’. We omhelzen elkaar midden op straat. In de ogen van anderen sta ik nu met een dakloze oude man te knuffelen. Voor mij voelt het heel anders.

    Gepubliceerd in Dagblad De Pers op 12 juni 2009